Echte schoonheid zit van binnen

Ik kan het in deze periode, waarin ik fysiologieonderwijs geef aan studenten biomedische wetenschappen en in mijn laatste column voor DUB niet laten: De werking van het menselijk lichaam is te mooi om niet over te schrijven.

‘Echte schoonheid zit van binnen’; als je dat hoort is het meestal niet bedoeld als compliment voor de buitenkant.

 

Mijn fysiologenhart vindt overigens dat de grootste schoonheid, sowieso van binnen zit. Ik doel met name op de eigenschap van ons lichaam om interne stabiliteit te behouden, een eigenschap die door de Amerikaanse Fysioloog Walter B. Cannon ‘homeostase’ is genoemd.

We categoriseren onszelf graag in bij de landdieren, maar de ~4•1013 cellen in ons lichaam, wonen nog steeds onder water. Geen zeewater uiteraard, maar wel een interne zee van extracellulaire vloeistof waarin onze cellen wonen en waaruit ze zowel hun voedingstoffen halen als waarin ze hun afvalstoffen dumpen. Eten van de vuilnisbelt dus. Bovendien is ons lichaam een open systeem en worden we continu blootgesteld aan redelijk vijandige invloeden van buitenaf. Zelf doen we er nog een schepje bovenop door zakken zoute chips te eten, te veel of te weinig te drinken, bizar te sporten of juist weer helemaal niets te doen. En toch weet ons lichaam, een paar ongelukkige uitzonderingen daargelaten, ons de eerste 40-50 jaar redelijk overeind te houden. Meestal volgt hierna pas de afrekening, waarschijnlijk omdat ons lichaam evolutionair gezien niet gemaakt is om veel ouder te worden. Na het krijgen van kinderen tussen je 20e-30e en deze redelijk opgevoed te hebben tot zelfstandige personen is je rol evolutionair gezien blijkbaar uitgespeeld.

Onze orgaansystemen: nieren, longen, maagdarmstelsel, afweer, hormonen, spieren, zenuwen, hart en vaten zijn dag en nacht bezig om de samenstelling van onze interne zee constant te houden. Ons lichaam heeft daar ongeveer 2000 kcal voor nodig. Dit komt overeen met 100 Watt, niet echt een spaarlampje dus! Met dit in het achterhoofd is het moeilijk te geloven dat we misschien wel 60 dagen zonder eten zouden kunnen. Onder overlevingsfetishisten wordt overigens meestal de ‘Rule of Threes’ aangehouden: Onder extreme omstandigheden kun je 3 minuten zonder zuurstof, 3 dagen zonder water en 3 weken zonder voedsel. Ons lichaam heeft zich duidelijk gericht op de beschikbaarheid van essentiële zaken. Zuurstof is overal en water is, zeker in Nederland, eenvoudig te vinden. Voedsel is echter van oudsher een schaarsteproduct. Het was Darwin al opgevallen dat er altijd meer individuen van een soort worden geboren dan waarvoor er in de habitat voedselbronnen zijn. We hebben dus een lichaam dat enorm efficiënt met voedingstoffen om kan gaan. In de westerse wereld, waar voedsel overvloedig beschikbaar is betalen we nu daar de rekening voor.

Het doel van al deze interne inspanningen, beter bekend als ‘de zin van het leven’  houdt de mensheid natuurlijk al eeuwen bezig. Zijn we alleen maar overlevingsmachines voor onze genen, en lopen we hier alleen rond om ons voort te planten, of zijn we een uitverkoren, hoog morale soort met scheiding van lichaam en ziel. Volgens Frans de Waal in ieder geval niet.

Voor mij maakt het niet uit. Ik geniet vooralsnog van de schoonheid van binnen, die nog lang niet volledig is ontrafeld. Het fascineert me, inspireert me en zie het als mijn ‘ars vivendi’ om mijn passie over te dragen op mijn studenten.

Hetgeen dat onze maatschappij graag als uiterlijke schoonheid definieert is slechts het dode omhulsel van het innerlijke. Het is maar dat u het weet.

Was will der Student?

Jarenlang had hij de vrouwelijke ziel bestudeerd, maar Sigmund Freud bleef in de herfst van zijn leven toch met de vraag zitten: ‘ Was will das Weib?’

Nu er vele innovatietrajecten lopen in het onderwijs, veelal geïnitieerd door instituten, faculteiten en opleidingen dringt zich wellicht dezelfde vraag op. We bestuderen de effectiviteit van onze innovaties en vragen aan de studenten wat ze er van vonden. Maar de vraag blijft uiteindelijk toch: “Was will der Student?” of beter ‘Was tut der Student?’.

Kort geleden was ik voor een presentatie in het AMC bij een afscheidsbijeenkomst van een aantal onderwijsbestuurders,. Het thema was Onderwijs en ICT. Na mij hield een student een presentatie getiteld ‘Onderwijs en ICT door de oogharen van de student’. Een vermakelijke en uiterst verfrissende beleving. Ik geef even een korte samenvatting van de presentatie en discussie:

  1. Blackboard werd zeker bezocht, maar alleen als er iets te halen was of er een verplicht onderdeel stond.
  2. Opgenomen hoorcolleges worden door studenten op 1.5x de snelheid teruggekeken. Zo ram je (citaat) een college van 45 min er in 30 min doorheen.
  3. Studenten willen oefentoetsen, oefentoetsen en oefentoetsen. Een student uit de zaal vroeg zich af waarom bij digitaal toetsen sterk wordt ingezet op de eindtoets en niet veel meer op het invoeren van zelftoetsen. Het zou haar helpen om beter in kaart te brengen wat ze nog niet weet.
  4. De discussie ging even over het enorm toetsgericht zijn van de studenten. Twee studenten uit de zaal bekenden hierbij dat zij al meerdere vakken ruimschoots hadden gehaald door zich enkel voor te bereiden met oude toetsen, waarbij de antwoorden niet in het boek werden opgezocht, maar via diverse internetbronnen. Met name de eerste hits in Google werden gevolgd, vaak naar Wikipedia.
  5. Studenten maakten veel gebruik van e-learningmateriaal dat door collega studenten was gemaakt. Er is blijkbaar een prosumeractiviteit die leidt tot veel informeel oefenmateriaal.
  6. De belangrijkste communicatievorm was Facebook of Whatsapp. Studenten gebruiken dit onderling om roosterwijzigingen, practicumruil, vragen, antwoorden, locaties van borrels etc. onder elkaar te verspreiden.

Wat mij opviel was dat studenten relatief beperkt of zelfs geen gebruik maken van de bronnen die wij hen aanbieden (leerboeken & handouts). Onze colleges gaan blijkbaar te sloom (of waarschijnlijker: de tijd tot het tentamen is te kort) en alles draait om het halen van de toets. Is dat nieuw? Vermoedelijk niet.

Het punt is echter wel of we in de huidige informatierevolutie moeten volharden in het investeren in leerboeken en monolithische en kostbare leeromgevingen als Blackboard. De student is een prosumer geworden die her en der graast om zijn doel, het behalen van het tentamen te bereiken.

Misschien zouden we kunnen volstaan met het aanbieden van hoorcolleges via de weblecture server en de handouts en aankondigingen via email/Whatsapp of Facebook rondsturen.

Wie durft de toekomst van het onderwijs te voorspellen?

In 2010 woonde ik een lezing bij op Apple Headquarters in Amsterdam waar William Rankinsprak over ‘ Mobile Learning in Higher Education’. Geweldig verhaal over de introductie van e-learning aan Abiline Christian University, waar iedere student bij aanvang van zijn of haar studie een iPhone kreeg van de universiteit. Het hele curriculum maakte hiervan gebruik in de vorm van het aanbieden van leerstof, zelftoetsing en interactie. Een geweldige spreker met een geweldig verhaal, maar wat me het meest fascineerde was een plaatje dat hij liet zien van de Franse illustrator Villemard. Ik ben hierna de hele reeks gaan opzoeken welke zich bleek te bevinden in de ‘Bibliothèque nationale de France’.

Villemard produceerde in 1910 een reeks ansichtkaarten getiteld Utopie, en l’an 2000. Het waren blijkbaar tijden van grote veranderingen. Edison had in 1879 de gloeilamp uitgevonden en vanaf het begin van de 20e eeuw was elektrische verlichting ook in de huizen beschikbaar. De verbrandingsmotor is in dezelfde tijd ontstaan en ook de gebroeders Wrightmaakten ook hun eerste vlucht. De fantasieën van Villemard geven een goed beeld van de oneindige mogelijkheden die deze nieuwe technologieën de mensheid zouden gaan brengen. Ze zijn niet allemaal uitgekomen, maar een paar wil ik jullie toch niet onthouden:

Villemard (1910) Utopie, , en l’an 2000: Le train électrique Paris Pékin. De eerste elektrische trein reed in Nederland overigens al in 1908. Tellen we niet mee als een echte voorspelling, eerder een opwarmer.

Villemard (1910) Utopie, , en l’an 2000: Chantier de construction électrique. Wie kan zich nog een bouwplaats voorstellen zonder elektrische kranen.

Villemard (1910) Utopie, , en l’an 2000: Missive phonographique. Voicemail! De bediende brengt een ingesproken bericht voor de fonograaf. Voicemail werd in Nederland in de jaren 90 door KPN geïntroduceerd. Het verloop is bekend.

Villemard (1910): Utopie, en l’an 2000: Correspondance Cinéma – Phono – Télégraphique. Videoconferencing. Iedereen denkt natuurlijk direct aan Skype (2003). De ouderen onder u zijn wellicht ooit in het Evoluon van Philips geweest. Daar hing al de beeldtelefoon van Philips (1974), ook te zien op Openbeelden.nl. Het is nooit een dominante communicatievorm geworden, ondanks modernere vormen als Skype of Facetime. Wie wil laten zien waar hij of zij werkelijk mee bezig is tijdens een telefoongesprek! Het zou vele relaties schade toebrengen…

Villemard (1910): Utopie, en l’an 2000: Audition du Journal. Echtpaar luistert naar ‘La Gazette du 21me Siècle’. De podcast (ontstaan in 2004) avant la lettre. Let op de grote elektriciteitskasten aan de muur. In dit geval de voorloper van routers en WiFi vermoed ik.

Villemard (1910) Utopie, en l’an 2000: à l’école. Het nieuwe leren. Kennis wordt niet meer gelezen uit boeken, maar rechtstreeks via electrische signalen in de hoofden van de studenten gebracht. Vervang voor het actuele beeld de metalen oorschelpen in gedachten door witte oordopjes. Het uitzenden van lesmateriaal in beeld of geluid heeft thans een enorme vlucht genomen. Erg actueel zijn de MOOC’s, getuige ook de vele berichten op uw aller DUB.

Natuurlijk zijn niet alle voorspellingen van Villemard (zie alle illustraties op deze en dezepagina van de Bibliothèque nationale de France) uitgekomen. Wat voorspellingen betreft is er natuurlijk altijd een soort ‘confirmation bias’, met de juiste voorspellingen voorop. Althans… het is toch altijd weer even spannend als het eind der tijden weer wordt voorspeld. Het lijkt erop dat we ons daar voorlopig nog even geen zorgen over hoeven te maken tot 2028

Wie durft zich te wagen aan een voorspelling hoe het onderwijs van de toekomst er uit komt te zien, uitgaande van de huidige technologische mogelijkheden? Tot nu toe is het onderwijsmodel al honderden jaren stabiel. Is het dus ouderwets? Ik denk van wel. Gaat het internet en de bijbehorende technologie ons onderwijs totaal veranderen? Ik durf er geen voorspelling over te doen, zeker niet hoe het er over honderd jaar uitziet. Alhoewel, op advies van Maarten van Rossem, als je dan toch een voorspelling doet zorg dan dat deze pas uit moet komen dat je zeker dood bent. Dan kunnen ze je er in ieder geval nooit op aanspreken. Dan is 100 jaar wel een veilige marge.

Kennis is van iedereen

Een paar maanden geleden had ik een interview met een bureau dat in opdracht van Stichting Pro een onderzoek uitvoerde over de nieuwe mogelijkheden rond verspreiding van (wetenschappelijke) literatuur in het hoger onderwijs. Deze stichting beschermt het copyright van uitgevers en int eventuele royalties. De universiteiten hebben een readerregelinggetroffen en betalen jaarlijks een bedrag voor herdistributie van korte gedeelten uit auteursrechtelijk beschermde werken. Dat lijkt me heel redelijk als in readers inderdaad delen uit boeken worden gekopieerd die niet door studenten worden gekocht. Maar waar ligt de grens?

Als ik een college geef voor 360 studenten die allemaal het aanbevolen boek hebben gekocht, mag ik dan de plaatjes die de uitgever mij gratis heeft doen toekomen gebruiken voor mijn colleges? Waarschijnlijk wel. Mag ik mijn dia’s dan als pdf-handouts verspreid via BlackBoard aan dezelfde studenten? Waarschijnlijk niet. Mag ik het hoorcollege opnemen en uitzenden als weblecture voor dezelfde studenten? Waarschijnlijk ook niet. Strikt genomen is dit namelijk redistributie van materiaal, maar je zou het ook kunnen aanmerken als onderdeel van het primaire onderwijsproces.

Ook de onderzoekers doen mee aan dit spel. Je mooie wetenschappelijke studie waar soms tienduizenden of misschien wel honderdduizenden euro’s in zijn gestoken kan alleen tegen betaling (page charges, een soort advertentietarief) worden gepubliceerd in een tijdschrift, waarbij je via een copyright transfer agreement ook meteen de uitgever eigenaar maakt van jouw materiaal. Wil je hierna je eigen figuur hergebruiken in een review, moet je de uitgever vragen om toestemming.

Deze vorm van informatieverspreiding stamt nog uit de tijd van de boekdrukkunst, waarna het boek dé dominante verspreidingsvorm van kennis was, ook in het onderwijs. Daar waren uitgevers voor nodig die het druk- en distributieproces voor hun rekening namen. Maar de nieuwe media, zowel internet, software als hardware hebben dit model onder druk gezet. Publiceren via het internet is vrijwel kosteloos en de content is wereldwijd gratis beschikbaar en continu actualiseerbaar.

Waarom laten we ons in dit digitale tijdperk eigenlijk nog zo leiden door de uitgevers? Misschien door de monopoliepositie van wetenschappelijke tijdschriften en tekstboeken? Ik sprak onlangs een collega van een bevriende faculteit aan de UU die mij vertelde dat zij vanuit hun staf een heel boek hebben gemaakt over hun vakgebied. Zij twijfelen of ze dit via een uitgever willen uitgeven of (gratis) in eigen beheer uitbrengen. Een collega van het VUmc kwam met een vergelijkbaar idee over zijn vakgebied: het maken en gratis verspreiden van iBooks voor studenten om zo zonder tussenkomst van een uitgever kennis te delen met studenten en collega’s.

Wat zou er gebeuren als wij de kennis die op onze universiteit aanwezig is onder de docenten en onderzoekers per vakgebied digitaal zouden bundelen en dit gratis ter beschikking zouden stellen aan studenten op een digitale onderwijsportal? Daar kan waarschijnlijk ieder curriculum mee gevuld worden zonder tussenkomst van een uitgever. Waarom geen Proceedings of Utrecht University als open access journal? Misschien is het zelfs wel onze plicht om onze kennis gratis ter beschikking te stellen aan de gemeenschap in plaats van aan een uitgever. Kennis is immers van iedereen.